Brandveiligheid en functiebehoud van kabels
Kabels in een gebouw kunnen een brand letterlijk als een lopend vuurtje verspreiden en bovendien dichte, giftige rook veroorzaken. Met alle gevolgen van dien. Regelmatig laait de aandacht voor brandveilige bekabeling dan ook opnieuw op. Vaak naar aanleiding van een brand die de aandacht trekt, bijvoorbeeld op een luchthaven of in een tunnelbuis.
Installateurs moeten een veelheid aan vragen beantwoorden waar het gaat om brandveiligheid van bekabeling. Waar moet je aan voldoen om functiebehoud van kritische installaties te realiseren?
Welke regels en normen zijn er van toepassing? Waarom is het veiliger om halogeenvrije kabels toe te passen? En hoe zit het met de kosten van verschillende alternatieven?
De vlamdovende werking van halogeenvrije kabels
Halogeenvrije kabels werken eerder vlamdovend dan dat ze het vuur verdei verspreiden. Andere voordeien van halogeenvrij zijn dat er bij brand geen emissie van giftige en corrosieve gassen is, de
rookontwikkeiing tot tien keer minder is en dat er geen gevolgschade ontstaat door het vrijkomen van zoutzuurgas. Halogeenvrij heeft eigenlijk maar één nadeel: het is duurder dan pVC. En precies dat is de reden dat de bekabeling in Nederland nog slechts voor tien procent halogeenvrij is. In
Scandinavie, waar de regelgeving strenger is, is dat vijftig procent, in Luxemburg zelfs 85 procent. Het prijsverschil tussen pvc en halogeenvrij wordt overigens steeds kleiner. Voor dikkere kabels
is dit nu al minimaal. Dat halogeenvrij nu ook in Nederland in opkomst is, is onder meer te danken aan de voortrekkersrol van grote bedrijven en van organisaties met een bijzonder risicoprofiel. Onder meer de RET, Rijksgebouwendienst, Schiphol en Philips, maar ook bijvoorbeeld verpleeghuizen en ziekenhuizen passen nog uitsluitend halogeenvrije bekabeling toe.
Functiebehoud
Bekabeling voor installaties die bij een brand absoluut nog enige tijd moeten blijven functioneren, moet 'in functiebehoud' worden aangelegd. Deze prestatie-eis geldt bijvoorbeeld voor
brandmeldinstallaties, alarm- en ontruimingsinstallaties, noodverlichtingsinstallaties, brandweerliften, sprinklerinstallaties, hydrofoorinstallaties, rook- en warmteafvoerinstallaties en
overdrukinstallaties. Meestal is functiebehoud wettelijk verplicht bij dergelijke installaties. Hoe dan ook heeft de installateur als uitvoerend deskundige een belangrijke verantwoordelijkheid. Welke
(NEN-)normen er in een bepaalde situatie van toepassing zijn, is echter niet altijd even duidelijk. De Nederlandse Praktijk Richtlijn 2576 (NPR 2576, 'Punctiebehoud bij brand') geeft de installateur nog
het meeste houvast. Niet alleen voor het realiseren van functiebehoud, maar ook voor het aantoonbaar vastleggen van de genomen veiligheidsmaatregelen.
(Installatie Journaal, 31 juli)



